|
|

 |
|
 |
|
Ambrozijn
– Botsjeribo
Met
Botsjeribo is Ambrozijn aan haar vijfde album toe. Ambrozijn
bestaat inmiddels reeds acht jaar en heeft in die periode
heel wat muzikale watertjes doorzwommen. En ook aan gedaanteverwisselingen
was de groep niet vreemd. Wat eens een 8-koppige groep was
met onder andere twee zangeressen is vandaag weer het trio
met wie het acht jaar geleden allemaal begon: gitarist Tom
Theuns die voor het nieuwe album de meeste nummers schreef
en eveneens de zang voor zijn rekening nam, accordeonist Wim
Claeys en violist Wouter Vandenabeele.
De CD zelf is opgedragen aan (Frans) Bretagne, de streek
waaraan de groep – en dan vooral Theuns – haar
muzikale hart veloor en waar de groepsleden in aanloop van
de nieuwe CD regelmatig vertoefden. Resultaat is dat heel
wat van de nummers werden geschreven in Bretagne waardoor
er op het album ook enkele Bretoense invloeden te bespeuren
zijn. Nochtans zou je gerust kunnen stellen dat Botsjeribo
een folk-CD is in de breedste zin van het woord. De plaat
biedt namelijk een leuke mix van – soms poppy –
luisterliedjes en pure folknummers met centraal de viool en
accordeon. En hoewel de CD over het algemeen Engels- en Franstalige
liedjes bevat, is de instrumentale inbreng zeer groot. De
meeste liedjes zijn dan ook ruim verweven met instrumentale
stukken en zeer knappe melodieën.
Met deze nieuwe CD slaat Ambrozijn in vergelijking met hun
vorige albums alleszins een nieuwe muzikale weg in. Het album
bevat heel wat ‘oud’ materiaal van Tom Theuns,
nummers die lange tijd in de schuif lagen maar nu terug werden
opgevist en herwerkt. Vandaar ook de keuze voor heel wat Engelstalige
liedjes, een taal die de zanger-gitarist beter afgaat dan
het Nederlands of Frans. Verder bevat de CD eveneens enkele
nieuwe liedjes of melodieën van de hand van Claeys of
Vandenabeele.
Het album start alvast sterk met Like I was to blame
en The days in Robin’s house, twee
hedendaags klinkende songs van Theuns’ hand. Het eerste
klinkt vrij folky met vooral knappe instrumentale intermezzo’s,
het tweede is een mooi ingetogen luisterlied.
Het sfeervolle Scottisch for a happy new year bouwt
mooi op, beginnend met mondharp en viool, en vervolgens aangevuld
met banjo, accordeon en gitaar om zo tot een pure folksong
te komen. Helemaal anders klinkt The disciple song,
een intiem jazzy lied waarbij de begeleiding werd ingeroepen
van een heus strijkensemble. Zeer ‘on-folky’,
maar daarom niet minder goed. Aan A song moeten
we zoals de titel al doet vermoeden niet veel toevoegen: gewoon
een degelijk liedje, zonder meer. Hetzelfde eigenlijk wat
we kunnen zeggen over Hopping.
Tomorrow’s memory is – naast
onder andere The cottage of lost play –
één van die liedjes op de plaat die uitblinken
in een perfecte combinatie van een toffe zangpartij en dito
instrumentale begeleiding. De prijs voor de knapste intro
gaat trouwens ook naar Tommorow’s memory: wondermooie
melodie! Dat deze intro meer dan een minuut duurt nemen we
er dan ook zeer graag bij.
Er staan drie volledig instrumentale nummers op de CD. Het
traditionele Moving cloud is er eentje van:
kort en krachtig, leuke Ierse pubambiance met centraal de
accordeon van Wim Claeys. Doedelyoudo?, een
heel leuk zelfgeschreven instrumentaaltje van Claeys is van
hetzelfde laken een broek, zij het dat hier ook nog de banjo
op de proppen komt. Het derde instrumentale nummer Gabormazurka
is er dan weer eentje van violist Wouter Vandenabeele. Deze
mazurka wordt zeer mooi en zonder veel franjes vertolkt op
enkel viool, accordeon en gitaar.
Het titelnummer Botsjeribo is dan weer niet
meer, maar ook niet minder dan een roepliedje om de koeien
op stal te krijgen. Gehoord en ‘gepikt’ van op
de Bretoense weiden zeg maar… De originele versie –
gezongen door een oud vrouwtje – staat bovendien als
bonustrack op het einde van de CD.
Jésus qui joue l’ accordion
is zowat het meest experimentele nummer op het album. Op een
mysterieuze wijze en met een sterk refrein wordt in dit nummer
de accordeon bezongen. Al even mysterieus vangt Party
at Mrs Garriocks aan. Deze track begint met een intieme,
laag gezongen zangpartij, begeleid met idyllische klanken
op synthesizer, om halfweg over te gaan in een ware Griekse
sirtaki die steeds sneller en sneller wordt gespeeld: ietwat
apart, maar best wel tof.
Het beste hebben de heren van Ambrozijn gelaten voor het
einde. Dessus la mer coulante, een heerlijk
walsje en tevens één van de recentere nummers,
is absoluut een pracht van een afsluiter. Dit Franstalige
liedje – het tweede op de CD – begint met een
lange maar heerlijke intro en het kent zonder twijfel de leukste
melodie van de plaat. Dessus la mer coulante is dan ook een
wondermooi slot van zeer genietbaar album.
|Wouter|
Op het Folkfestival van Dranouter 2004 sprak Folkspot.be
met Ambrozijn-accordeonist Wim Claeys onder meer over de nieuwe
CD Botsjeribo. Het interview kan je hier
lezen.
Discografie:
• Botsjeribo (2004). LC Music
• De hertog van Brunswyk - Ambrozijn & Paul Rans
(2003). Coda
• Kabonka (2002). Music & Words
• Naradie (2000). Virgin
• Ambrozijn (1998). Music & Words
Website
Ambrozijn
Top
|
|
 |
|
 |
 |
|
 |
|
Ceili
Moss – Glad to find you well
Ceili
Moss is een grotendeels Waalse band die al sinds 1996
de Belgische podia afschuimt met aanstekelijke folken
folkrock. Echte feestmuziek, wat zelfs uit hun groepsnaam
af te leiden is. 'Ceili' is het Gaelische woord voor feest
of fuif.
'Glad to find you well' is de tweede cd die ze in eigen
beheer uitbrachten. De vorige, 'Be there & be drunk',
dateert al van 2001 en daarvoor brachten ze al een demo
en een live cd uit.
Op 'Glad to find you well' staan 13 nummers van divers
pluimage. Je hoort natuurlijk dat ze niet over een hoog
productiebudget beschikten, maar dat geeft het cd-tje
net die live-touch mee. Mooi meegenomen voor een groep
die waarschijnlijk live nog veel meer potten breekt dan
op cd.
Opener Seagull is een leuk gitaarriedeltje
dat naadloos overgaat in een vrij originele versie van
het oertraditionele Hot Asphalt, met
een knappe 2de stem van zangeres Sophie Toth, die ook
op heel wat andere nummers voor de vrouwelijke toets zorgt.
Opnieuw naadloos wordt er overgegaan naar The
Gael, folkrock met een hoog dansgehalte. Het
eerste trio songs mag er alvast wezen en zet de toon voor
een cd die hoge verwachtingen schept.
De melodie van Ship of fools deed mij
heel erg denken aan 'Kannie lezen en nie schrijven' van
de Nederlandse Veulpoepers. De zang kwam een beetje geneuzeld
over, een euvel dat wel op meerdere tracks voorkwam, maar
de samenzang werkte wel en de melodie is aanstekelijk.
Met Suil a Ruin brak het aanstekermoment
van de cd aan. Het is natuurlijk een Ierse klassieker
die al in ontelbare uitvoeringen te horen was. Ik had
ze eerlijk gezegd liever door een vrouw horen zingen.
Gelukkig volgde meteen een nummer met de veelbelovende
titel Psychefolk, een geslaagde poging
tot 'mouth music' met een opzwepende percussie.
Dies Irae was een beetje een sfeerbreker.
Het is een Franstalig nummer dat eerder bij pop dan bij
folk aanleunt. Lang geen slecht nummer, zeker dankzij
een sfeervolle mondharmonica, maar een beetje ongelukkig
geselecteerd voor deze cd. Dat andere Franstalige nummer,
Tout va bien, tapte dan wel weer uit
een folkvaatje en laat een wals horen die twijfelt tussen
blijheid en tristesse, met een accordeon die het ritme
aangeeft.
Het instrumentale The Bee en het gezongen
As far as the eye can see zijn eigen
nummers die mij wat te braafjes overkwamen, hoewel het
laatste een tof, herkenbaar refrein in zich schuil hield.
December kon mij veel meer bekoren. Ceili
Moss schreef zelf de tekst voor een traditionele melodie
en laat het wonderwel samensmelten tot een uiterst genietbaar
nummer, zelfs gekruid met Arabische invloeden.
Bij de duizend-en-eerste versie van The Drunken
Sailor heb ik niet te lang stilgestaan wegens
niet echt vernieuwend en nogal overbodig, maar met de
vocale uitsmijter The Praties go small toonde
Ceili Moss zich tot slot toch weer een goed op elkaar
ingespeelde groep.
Slotsom: 'Glad to find you well' is een cd die smaakt
naar meer. Zeker naar een live-optreden want daar ligt
de grote sterkte van Ceili Moss. Grootste probleem is
dat ze van verschillende walletjes willen eten. Deze cd
komt dan nogal eclectisch over. Op een live-optreden kan
alles, maar een cd hoort toch meer een geheel te vormen.
Maar je hoort dat Ceili Moss klaar is voor het betere
werk. Het zijn stuk voor stuk goede muzikanten met de
juiste folkspirit. Een even begeesterde platenfirma en
een goede producent zijn alles wat deze groep nodig heeft
om het met hun volgende plaat helemaal te maken.
|Stijn|
Discografie:
• Glad to find you well (2003). Ceili Moss
• Be there & be drunk (2001). Ceili Moss
• Live à l'Eblouissant (1999). Ceili Moss
• Demo (1998). Ceili Moss
Website
Ceili Moss
Top
Croft No Five – Attention
all personnel
Uit
Schotland komen de laatste tijd heel wat frisse folkwinden
onze richting uit. Artiesten als Shooglenifty, Peatbog
Faeries, Tartan Amoebas, Simon Thoumire en Martyn Bennett
zijn niet vies van een sampletje hier of daar en mengen
met verve hun Schotse folkroots met de meest uiteenlopende
muziekstijlen, gaande van reggae over salsa tot funk,
hiphop en techno.
Aan dit indrukwekkende lijstje mogen sinds kort de jonge
snaken van Croft No Five worden toegevoegd. Op hun eerste
cd, Attention all personnel, ‘crossen ze over’
dat het een lieve lust is en het resultaat mag er wezen.
Opener Cutting the cake valt al meteen
met de crossover-deur in huis. Een traditionele fluit
kruist de degens met moderne gitaarriedels. De drum klinkt
ergens in het ijle. Ook Release da hounds
krijgt een funky versie mee. Een intro op accordeon en
basgitaar, een duel tussen fluit en accordeon en een reel
met de nodige distortion, meer moet dat niet zijn. Lanark
is pure chill out om heerlijk op weg te dromen.
De naam Phat jigs geeft goed weer wat
je mag verwachten: vette muziek met een dikke baslijn
en schitterend vioolspel. Ook Legless
doet zijn naam eer aan. Probeer maar eens te dansen op
zoveel tempowisselingen. Je zou van minder je benen verliezen.
Knightmare duurt maar liefst 8 minuten,
maar dat is zeker geen minuut te veel. Trage en snelle
tunes wisselen mekaar af. Track 1 (op
de cd pas op de 9de plek, verwarring alom) is zonder meer
een van de beste nummers op de plaat. De laatste track
van het album, Escape from Alvie, eindigt
dan weer op een rustige, voortkabbelende manier met een
slome gitaar en trage accordeon.
Waarlijk een mooi plaatje van een veelbelovende groep.
Mochten ze binnenkort op een podium in uw buurt staan:
go check them out!
|Stijn|
Discografie:
• Attention all personnel (2001). Foot Stompin'
Website
Croft No Five
Top
|
|
 |
|
 |
 |
|
 |
|
Gerry
De Mol & Eva De Roovere - Min & Meer
Hoog
tijd voor een streepje Nederlandstalige folk annex kleinkunst
op Folkspot.be. Muzikale duizendpoot Gerry De Mol en Vlaamse
folkdiva Eva De Roovere zorgen met hun nieuwe plaat Min &
Meer weer voor heerlijke momenten van muzikaal luistergenot.
Na Kleine Blote Liedjes, het eerste album dat ze als duo opnamen,
hebben ze opnieuw een pareltje van een CD in elkaar gestoken
met daarop stuk voor stuk heel sfeervolle nummers, voornamelijk
van de hand van Gerry De Mol. En hoewel ook deze plaat siert
in haar eenvoud, klinken de liedjes toch iets minder bloot
dan op de vorige CD. Er werd deze keer dan ook met een hele
resem ongewone instrumenten geëxperimenteerd en met een
heleboel gastmuzikanten samengewerkt: Vera Coomans, Mich Walschaerts
(Kommil Foo), Gert-Jan Blom (die tevens de productie deed),
Ivan Smeulders, Frédéric Malempré, Lode
Vercampt, Wouter Vandenabeele (Ambrozijn), Pedro de Castro
en Luc Van den Bosch.
Op het openingsnummer Ooit krijgen Gerry
en Eva alvast het vocale gezelschap van Vera Coomans, met
wie ze dit lied reeds eerder op het podium brachten op het
Oblomow’s Ladies Night programma. Met haar heser stemgeluid
vormt Coomans voor een boeiende tweestemmige tegenpool van
de heldere stem van Eva De Roovere, die tevens garant staat
voor een leuke klarinetpartij, samen met accordeonist Ivan
Smeulders. Het titelnummer Min & Meer
is een iets meer uptempo liefdesliedje met een tof melodietje
en sobere begeleiding op gitaar, accordeon en percussie. Piraten
is dan weer een somber maar niettemin vrolijk klinkend lied
van en door Gerry De Mol. Zeer leuk, toffe tekst, met de nodige
zeeroverssfeer en Eva die de tweede stem voor haar rekening
neemt.
Met Nu is het tijd voor een op en top ‘bloot’
liedje, enkel en alleen met hun tweetjes: Eva aan de zang
en Gerry aan de vloeiend tokkelende gitaar. Ook op Teder
hart, een nummer van Jacques Brel, doen ze het op
die pure, ingetogen manier. Zeer genietbaar en al even bloot
is ook het afscheidsliedje Soms is niet voor altijd.
Zus en zusje, een liedje over – jawel
– twee zusjes, krijgt met de Portugese gitaar van gastmuzikant
Pedro de Casto een zuiders fadotintje.
Eén van dé pareltjes op de CD is de Tom Waits-cover
Blokje om (The Long Way Home). Om dit nummer
op de plaat te kunnen zetten moest de toelating worden verkregen
van de grootmeester himself. En het zou hem van weinig goede
smaak getuigen moest hij die niet hebben verleend... Norah
Jones, die het nummer eveneens coverde op haar album ‘Feels
like home’, kan nauwelijks tippen aan deze sublieme
Nederlandstalige kippenvel-versie. Bij dit nummer is het echt
wegdromen en genieten geblazen. Ook gezellige percussie trouwens
(letterlijk en figuurlijk): de door Eva gehanteerde kalfskaak.
Ook aan meer dan degelijke eigen nummers is er geen gebrek.
Helemaal niet klein is een leuk musettewalsje,
gezongen door Eva en begeleid door gitaar, guitarron (een
Mexicaanse basgitaar) en – vooral – de accordeon.
Lekker zomers klinkt het Radio 1-hitje Vervellen.
Opmerkelijke gastmuzikant op deze track is Mich Walschaerts
(Kommil Foo) die zijn lippen mocht tuiten en een vrolijk fluitwijsje
ten beste geeft.
Liedje van de maan / Ik wil niet meer met je spelen
is een combinatie van twee liedjes: een traditioneel slaapliedje
uit Gallicië en een door Gerry De Mol bewerkt Engelstalig
kinderliedje. Met Zaventem en Onder
in mijn whiskyglas is het volledig de beurt aan Gerry
De Mol om de zangpartijen te verzorgen. En dat doet hij zeer
pakkend, zichzelf begeleidend op piano tijdens het ene, of
op een heel arsenaal van snaarinstrumenten tijdens het andere.
En net zoals bij de overige nummers, staan ook deze liedjes
bol van symboliek, melancholiek en poëtische teksten.
In Zaventem gaat het over de mystiek van de luchthaven, het
vliegen, het zweven door de lucht over de kleine wereld...
Onder in mijn whiskyglas bezingt een droef verloren gegane
liefde.
Afsluiten doet het tweetal nog maar eens in absolute schoonheid
met Fifty Fifty, dit maal aangevuld met Lode
Vercampt op cello en Wouter Vandenabeele (Ambrozijn) op viool.
Dit slotnummer, met een wondermooie melodie en dito stem van
Eva grijpt – zoals we wel vaker hebben moeten ondergaan
op deze CD – opnieuw recht naar de keel.
Op het schijfje vinden we trouwens ook een leuk extraatje
terug (hoewel we dat niet direct zouden verwachten op een
puur en bloot album zoals dit): een interactief, grafisch
computerspelletje. Het is wel niet echt duidelijk wat de bedoeling
ervan is, maar het zit wel plezant en knap in elkaar. Het
spelletje zelf is opgebouwd uit tekstflarden en muziekfragmenten
van de CD zelf.
|Wouter|
Discografie:
• Min & Meer (2005). Global Daknam Records
• Kleine Blote Liedjes (2004). Global Daknam Records
Website
Kleine Blote Liedjes
Top
Dervish – Spirit
Dervish
is al vele jaren een vaste waarde in de Ierse traditionele
folkwereld. Cathy Jordan en haar kompanen kennen de knepen
van het vak en beheersen de Ierse jigs, reels, hornpipes,
airs en ballades als geen ander. In het traditionele circuit
staan ze op eenzame hoogte, enkel vergezeld door groepen als
Altan en Lunasa. Hun nieuwste boreling heet Spirit en borduurt
voort op waar Dervish in excelleert: traditionele Ierse muziek
naar hun hand zetten en vertalen naar de typische Dervish-sound.
Hoogtepunten uit deze cd halen is bijna onmogelijk want alle
nummers zijn van een hoog niveau. De klasse van de geroutineerde
muzikanten spat van de luidsprekers. Cathy zelf zingt de sterren
van de hemel en haar percussiespel op de instrumentals wordt
fors bijgestaan door Tom Morrow (viool), Liam Kelly (fluit),
Shane Mitchell (accordeon), Michael Holmes (bouzouki), Brian
McDonagh (mandoline) en Seamus O'Dowd (gitaar).
Handig is ook de tekstjes bij de nummers in het cd-boekje
eens door te nemen. Zo leren we dat de Siesta set
genoemd werd naar een aanrijding tussen een Seat en een Fiesta,
waarvan Tom Morrow tijdens de opnames van de cd ooggetuige
was. Jig songs zijn drie zogenaamde ‘infant
dandling’ liedjes, mondmuziekjes die wonderwel samengaan
en O'Raghailligh’s grave is een prachtig
traag nummer op fluit, zweverig en toch heel ‘down to
earth’.
Dervish leent ook werk van bekende namen. Zo ligt hun cover
van Ewan McColl’s The Lag’s song,
gezongen door Seamus O’Dowd, erg goed in het oor en
komen ook Baawb-fans aan hun trekken met Bob Dylan’s
Boots of Spanish leather, dat ook in een
Dervish-jasje meer dan overeind blijft.
In Whelans tenslotte bespeur je allerhande
rare geluiden zoals een sitar, een elektrische gitaar en andere
instrumenten die je niet meteen associeert met de traditionele
Dervish. Hun experimenteerdrang blijkt op deze cd eens te
meer erg groot en waar veel groepen met dit soort uitwassen
wel eens de mist in durven gaan komt Dervish telkens opnieuw
heel sterk voor de dag. Na meer dan 10 jaar samen musiceren
hebben de leden van Dervish hun spirit duidelijk nog niet
verloden, wel integendeel! En zeggen dat ze live op hun best
zijn. Ga dat zien!
|Stijn|
Discografie:
• Spirit (2003). Whirling discs
• Decade (2001). Whirling discs
• MidSummers night (1999). Whirling discs
• Live in Palma (1997). Whirling discs
• At the end of the day (1996). Whirling discs
• Playing with fire (1995). Whirling discs
• Harmony hill (1993). Whirling discs
Website
Dervish
Top
|
|
 |
|
 |
 |
|
 |
|
Follia!
– Kiss me you fool! Kiss me lila!
Op
hun website schrijven de heren van Follia! over hun muziek
als zijnde “trage ballads, opzwepende nummers met oriëntaal
geïnspireerde zangscanderingen en oude teksten op een
achtergrond van psychedelische viooldistortions die je in
een onweerstaanbare roes van muziek en dans brengen”.
We zouden het niet beter gezegd kunnen hebben... Dit is inderdaad
een allesomvattende omschrijving van de muziek op hun eerste
full-CD Kiss me you fool! Kiss me lila!,
een knap staaltje hedendaagse folk van een groep die tegenwoordig
mee het mooie weer helpt maken in de Vlaamse folkscene en
op de folkbals. En dat doen ze op een eigentijdse, dansbare
en jazzy manier, met veel power en met een brede kijk op hoe
folkmuziek vandaag de dag kan klinken. Het resultaat is een
zeer genietbare plaat die zelden of nooit verveelt.
Met Tinalaria is de toon meteen gezet: een
tof en opzwepend instrumentaal dansnummer dat je direct zin
doet krijgen in meer. Verdronken Land, een
korte ingetogen melodie op vooral dwarsfluit, zorgt daarna
al gauw voor een stukje verpozing, maar doet tegelijk dienst
als intro van het meer rockende Quand la belle s’y
promène. Hierin neemt de doedelzak het over
van de dwarsfluit, terwijl de viool op haar eigen specifieke
manier mee de begeleiding helpt verzorgen. Een knappe opbouw,
stevige drums tijdens het tweede gedeelte van het nummer en
een goed samenspel van de verschillende instrumenten zijn
de troeven van deze track.
Met Lila is het dan de beurt aan het eerste
liedje, Franstalig gezongen, op uitzondering van – jawel
– het rap-gedeelte in het Nederlands. Best een leuke
song, waarbij het vooral genieten is van de melodieuze instrumentale
intermezzo’s tussen de zanggedeeltes in. Zeer funky
klinkt vervolgens Sammy, his peace, een apart
maar heel tof nummer dat van de eerste tot de laatste noot
lekker swingt. Het meest jazzy nummer van de CD ook, met de
dwarsfluit van Sammy Lee Daese die heerlijk doorheen het nummer
raast.
Dat Follia! ook in rustige nummers best hun slag kan slaan
bewijzen ze dan weer in de oud-Nederlandstalige liedjes Cuusche
Mignonne en Vriendelijk bevangen,
al moet het gezegd dat de zangpartijen van Pieter Decancq
niet altijd even sterk gezongen zijn. Maar dat weze hem vergeven…
De Scandinavische toer gaat Follia! op met Zepheus,
waarin de violen je meerstemmig om de oren slaan. Een leuk,
bezielend en naar het einde toe zeer krachtig gespeeld nummer,
maar het duurt net iets te lang om boeiend te blijven.
Voor Elfenbal is het dan weer tijd om enkele
wondermooie melodieën uit de kast te halen. Hierin klinkt
de zang dan weer wel OK, te meer omdat ze een stevig geheel
vormt met de andere instrumenten die elkaar – zoals
in alle nummers trouwens – perfect afwisselen. Ook toffe
percussie trouwens, die het liedje mee een wat Oosters tintje
helpt geven.
Tijdens het energieke Tina Brown, met de
doedelzak in de frontlinie, is het opnieuw dansen geblazen.
Dit instrumentaaltje kent een uitermate sterke opbouw die
vooral wordt gedragen door het vraag- en antwoordspel tussen
doedelzak enerzijds en viool en fluit anderzijds. Voeg daar
nog een lekker rockende drum en dito elektrische gitaar bij
en je hebt alle ingrediënten voor een heerlijk dansend
folkrocknummer. Dezelfde complimenten gaan trouwens ook op
voor Follia Romania, zij het dat het hier
wel de dwarsfluit en accordeon zijn die op de voorgrond treden.
Afsluiten doet de groep meer dan waardig met het bijna acht
minuten durende Heer Halewijn. Maar de duur
van dit lied staat gelukkig recht evenredig met de kwaliteit
van dit knap gearrangeerde nummer. Na een melancholisch gezongen
intro barst het lied dan ook los in een heerlijk dansnummer.
Chapeau heren!
|Wouter|
Discografie:
• Kiss me you fool! Kiss me lila (2004). Wild Boar Music
Website
Follia!
Top
Frozen Fish –
6-pack
Onlangs
viel een cd-tje in de bus van een prettig gestoord duo dat
zichzelf 'Frozen Fish' doopte. Het gaat om zanger/gitarist
Rob Segers en violist Kris Laukens, twee muzikanten die al
een kleine 10 jaar samen spelen. De titel van het cd-tje is
'6-pack' en erg goed gekozen als je bedenkt dat er slechts
6 nummers op staan, alle opgenomen in de huisstudio van violist
Kris.
De stijl van Frozen Fish is niet onder één
hoed te vangen. Het duo experimenteert met allerlei muzikale
invloeden gaande van Ierse folk over blues tot mensen als
Tom Waits en Nick Cave. Eclectisch en gewaagd. 6-pack is dan
ook geen cd die een soort geheel vormt maar toont eerder waartoe
de muzikanten van Frozen Fish in staat zijn. Ze worden op
verschillende nummers bijgestaan door muzikanten uit het Ierse
Sligo. Zij speelden hun partijen in een Ierse studio in. Bekendste
naam is ongetwijfeld Cathy Jordan, de ravissante zangeres
van de Ierse topformatie Dervish. Zij leende haar percussie-talenten
uit aan de jongens van Frozen Fish en speelde bones en bodhran
op 2 nummers.
6-pack begint met het nummer Sabrina goes classic,
dat alvast de prijs krijgt voor meest absurde tekst. Het nummer
gaat over een zeemeermin, Sabrina genaamd. Op de achtergrond
van een gejaagde viool, gitaar en mandola hoor je duidelijk
het geweeklaag van de Lorelei in kwestie. Het nummer klonk
me erg Frank Zappa-esque in de oren, een referentie die er
mag wezen.
Het eerste van twee instrumentale nummers is meteen ook de
enige traditional op de cd. Yiddishe Honga
is een traditionele Yiddishe huwelijksdans die Frozen Fish
ook heel traditioneel en vakkundig speelt. Viel mij een beetje
uit de toon bij al het absurdisme op de andere nummers maar
desalniettemin een toffe track.
Voor Mustang coffee mixten de jongens van
Frozen Fish enkele belangrijke ingrediënten door elkaar.
Een snuifje Nick Cave, een mespuntje Johnny Cash en de alomtegenwoordige
Zappa, vermengd met een stevige dosis Frozen Fish en je krijgt
dit nummer.
The Man viel mij in de eerste plaats op
door zijn Yiddish-aandoende intro en muziek en de heel ritmische
tekst. Met Cathy op de kleppers en een vrouwelijke tweede
stem bleek dit één van de beste nummers op 6-pack.
De tweede instrumental, Amoré, ay my feet,
begint als een valse trage op een strakke gitaarslag, de hoefslag
van het nummer als het ware, ondersteund door viool en mondharmonica.
Langzaam maar zeker gaat het nummer over in een snelle fiddle-tune.
Dit nummer kwam het dichtst bij de Ierse invloed die de cd
naar mijn aanvoelen nog iets meer mocht hebben.
Aflsuiter Freakshow krijgt opnieuw een 'weirde'
tekst die op een ritmische gitaar voortdeint met een geslaagde
interventie van fluit, harmonica en melodica. Je ziet de freaks
uit de tekst haast voor je ogen passeren.
Conclusie: de heren van Frozen Fish bewezen met deze mini-cd
dat ze heel wat in hun mars hebben en perfect op elkaar zijn
ingespeeld. Ik ben niet altijd te vinden voor hun wat eclectische
muzikale keuze maar dat mag hen zeker niet verhinderen zich
ooit op een full-cd volledig te bewijzen. En mocht die kans
zich ooit voordoen dan zou ik hen willen aanraden nog meer
uit hun gastmuzikanten te halen want wat bijvoorbeeld Cathy
Jordan bij Dervish doet met haar zoetgevooisde stem is nog
duizend keer mooier dan het beetje percussie op deze plaat.
Maar desalniettemin (hé, het woord werd verkozen tot
'mooiste Nederlandstalig woord' dus 2 keer in een bespreking
is niet te veel): veelbeloven plaatje.
|Stijn|
Discografie:
• 6-pack (2004). Frozen Fish
• Highway Ariadne (1998). Frozen Fish
• Cowboycars and horses (1996). Frozen Fish
Website
Frozen Fish
Top
|
|
 |
|
 |
 |
|
 |
|
Hopeloos
– Helpt mij!
We
kregen onlangs een cd-singletje in de bus van wel heel bescheiden
mensen. Hun brief sloten ze af met de volgende woorden: "Hopende
dat je geen blijvend letsel aan je gehoor oploopt, ..."
En zeggen dat het Antwerpenaren zijn, het meest zelfzekere
ras uit de kudde Vlamingen. De Antwerpse volksgroep Hopeloos
heeft een eerste singletje uit en wil dat aan de wereld kond
maken. Het gaat om een single met 2 A-kanten. Echt optimistisch
is het Antwerpse duo niet. Kim en Freddy hebben het in het
eerste nummer, 'Helpt mij!', over zelfmoord, nu niet meteen
het meest opgewekte thema voor een liedje. Een man ziet het
niet meer zitten en wil er dan maar een eind aan maken. De
melodie is ‘nen trage’, wat het geheel nog wat
bezwaart. Niet echt onze meug.
Van een ander kaliber is het tweede nummer, 'Ik zen 't altijd
gewest, ik heb 't altijd gedaan'. Hier wordt met een vette
knipoog gezongen over iemand die het altijd geweest is, de
peulschil als het ware. Een goede sok die ondanks zijn goede
bedoelingen altijd de verkeerde dingen blijkt te doen. Een
leukere tekst en een vrolijk liedje. Deed een beetje aan Katastroof
denken en echt onbekend zijn die kerels toch niet. Als de
2 liedjes op dit singletje een keuze voorstelden voor een
te volgen weg zou ik toch ten stelligste aanraden de tweede
weg te bewandelen. Hun tweede single zou eerstdaags uitkomen.
De full-cd is in zicht!?
|Stijn|
Website
Hopeloos
Top
|
|
 |
|
 |
 |
|
 |
|
Ialma
– Nova Era
Voor
het Spaans-Belgische meidencollectief Ialma is een nieuw tijdperk
aangebroken. Letterlijk, want ze doopten hun gloednieuwe derde
cd 'Nova Era'. En dat nieuwe tijdperk wordt meteen ingeluid
met een gesmaakte cover van 'Under the bridge' van de Red
Hot Chili Peppers, dat meteen de eerste single werd. Bij Ialma
luidt de titel Lévame en krijgt het
nummer een eigenzinnig arrangement om U tegen te zeggen. Typisch
voor hun zang zijn de stemmen die solo betoveren en u tezamen
tot ongekende hoogten voeren. Qua melodie is het nummer uiterst
herkenbaar maar op één of andere manier slaagt
Ialma er in het origineel te doen vergeten en zich het nummer
helemaal eigen te maken. Het barst open als de gaita (een
soort doedelzak) invalt en de oude dames van A Herba Verde
de Laxoso hun kelen openzetten. Topklasse en veelbelovend
voor de rest van de cd.
Dat vervolg staat vooral bol van traditionele Gallicische
nummers. De dames doen het hier en daar alleen, soms zichzelf
begeleidend op de pandeireta, het typisch Gallicische trommeltje.
Waar nodig halen ze er hun groep bij, bevolkt met uitstekend
volk als Didier Laloy en Ad Cominotto. Die laatste stond ook
in voor de preproductie en programmatie en tekende voor enkele
mooie arrangementen. Wat te denken van het tweede nummer op
het schijfje, A Xiranda? Daar speelt N’Faly
Kouyaté (zie ook Afro Celt Sound System) mee op de
Kora, een West-Afrikaanse harp. Hij geeft het startsein voor
een nummer dat op een baslijn drijft en wat doet denken aan
de Spaanse piper Hevia.
Op de cd doen overigens nog een hele trits andere gasten
mee: Guadi Galego (de zangeres van Berroguëtto), Mercedes
Peon, Kike Peon & Xurxo Fernandes (Radio Cos), N'Faly
Kouyate en Sophie Cavez, bekend van Urban Trad en Dazibao.
Een gastenlijst om mee uit te pakken.
In nummer drie, Cantar e olvidar, op fluit
en gitaar, spreiden de dames van Ialma het typisch Galliciaanse
zingen en tegenzingen tentoon. Sophie Cavez (Urban Trad, Dazibao,
…) steunt hen op accordeon en het nummer bevat een mooie
fluitriedel.
Vaite is een up-tempo nummer met opzwepende
pandeireta’s en het keelgeluid van Spaanse folkdiva
Mercedes Péon, nog zo’n grote naam die Ialma
wist te strikken voor een gastoptreden op deze cd. In Amores
¾ horen we, mede dankzij de uitstekende gastzanger
en –zangeres Xurxo Fernandes & Quique Peón,
echo’s uit Argentinië, het land van de tango, die
worden versterkt door een dromerige accordeon. Na
distancia kent een gezapig tempo. Kamelen zijn er
in Gallicië bij ons weten niet, maar bij deze muziek
kunnen we ons een ritje op het bultige zoogdier levendig voorstellen.
In het volgende nummer, Rumuxíaba,
trappelt de kameel iets sneller en krijgen we zin om af te
stappen want de beentjes moeten op dit dansdeuntje absoluut
worden losgegooid.
Op Non vai de risa gaat het weer in mineur,
met een treurende accordeon en beklijvende percussie en gitaar
die deze (klaag)zang recht houden. Voor Añas zetten
de hoge stemmen van Ialma en de pandereita’s de toon
voor dit op en top quasi a capella nummer in de beste Gallicische
traditie. Eén van de hoogtepunten van dit schijfje.
Nog zo’n typisch Gallicisch nummer is X-Toutón,
deze keer begeleid door een zware trom, percussie, fluit,
gitaar en accordeon. Een schare puike muzikanten bij elkaar.
Canto por Adrao is mooie, haast Portugese
fado, met Guadi Galego achter de microfoon. In het slotnummer
Ela choraba keert Sophie Cavez terug op accordeon.
Het is een dreigend nummer, dat langzaam naar een climax toewerkt.
Als uitsmijter krijgen we opnieuw de dames van A Herba Verde
de Laxoso, die hun schuurpapieren stemmen samen met Ialma
live laten weerklinken op het Festival de Voix de Femmes in
Schaarbeek. Wat een kelen!
Slotsom: Ialma heeft geen nieuwe weg ingeslagen, laat staan
dat er een nieuw tijdperk is aangebroken. De titel is dan
ook ietwat misleidend. We krijgen meer van hetzelfde. Maar
als datzelfde goed is, dan luidt de leuze: ‘never change
a winning team’. De dames van Ialma doen wat ze goed
kunnen: Gallicische traditionals naar hun bevallige handen
zetten en hun cultuur op muzikale wijze uitdragen. Met de
Red Hot Chili Peppers cover bewijzen ze dat ze heel veel in
hun mars hebben, zowel arrangementen, productie als muzikaliteit
kloppen helemaal en het rijtje gastmuzikanten is ronduit indrukwekkend.
Enig klein minpuntje: de Gallicische traditie is misschien
net iets te beperkend, iets te weinig veelzijdig om veel kanten
mee uit te kunnen. Maar wat Ialma er mee doet is meer dan
ok!
|Stijn|
Website
Ialma
Top
|
|
 |
|
 |
 |
|
 |
|
Junkera,
Kepa – Maren
Wie
spreekt over Baskische traditionele muziek, kan niet voorbijgaan
aan Kepa Junkera. Deze Spaanse muzieklegende geraakte reeds
op zeer jonge leeftijd verknocht aan de diatonische accordeon.
De trikitixa, de typisch Baskische versie van deze accordeon,
is het handelsmerk van Kepa Junkera. Zijn muzikale carrière
wordt gekenmerkt door een hele reeks CD’s waarmee hij
de wereld liet kennismaken met zijn geliefkoosde instrument,
en verschillende samenwerkingen met grootheden uit de internationale
folkwereld (zoals The Chieftains, Carlos Nuñez en Dulce
Pontes). Ook op het album Maren schuwt hij de muzikale inbreng
van buitenaf niet. Naast zijn eigen sterke begeleidingband
werkt hij op deze plaat samen met verschillende gastmuzikanten
uit een breed muzikaal veld: Hevia, Gilles Chabenat, Maria
del Mar Bonet, twee zangkoren uit de Balkan, enz.
De inspiratie voor het dertien nummers tellende Maren haalde
Kepa Junkera bij de natuurlijke schoonheden van het Baskenland
(waaronder dan vooral de zee) en de verscheidenheid aan culturen,
gaande van West- en Zuid-Europa naar de Balkan en Madagaskar.
Het laat zich al raden, Maren is een album dat teruggrijpt
naar een brede waaier van tradities, culturen en muzikale
invloeden.
De openingstrack, het energierijke Bok-Espok,
was ook al terug te vinden op Junkera’s vorige CD Bilbao
00:00h. Dit instrumentale nummer werd geschreven in samenwerking
met het Zweedse Hedningarna en wordt op deze CD met een popbeat
ondersteund. Daarnaast is hier ook al dadelijk de Oost-Europese
invloed merkbaar door de Balkangezangen die doorheen het nummer
vloeien. De up-tempo nummers Ny Hirahira
en Maruelexa zijn dankzij het vingervlugge
accordeonwerk van Junkera ongetwijfeld de meest vrolijk klinkende
liedjes op het album. Ook de begeleiding van de mandoline
maakt dat het nummers zijn die goed in het oor liggen. Centraal
op Busturiko Vikingoak staat het samenspel
tussen de accordeon en de Balkangezangen. Maar hoewel dit
nummer enkele mooie melodische wendingen kent, doet het geheel
toch wat eentonig aan.
Het tegendeel geldt voor Mundaka. Dit instrumentale
nummer siert in haar eenvoud maar is ongetwijfeld een van
de mooiste nummers op de CD. Het begint met een solo op klassieke
Spaanse gitaar en gaat vervolgens over in een wondermooie
rustige melodie op accordeon, strijkers, Spaanse gitaar en
een typisch Carraïbische ‘stalen drum’. Het
rustige gedeelte kent daarna een sneller en zeer opgewekt
vervolg dat menig luisteraar in zuiderse sferen zal brengen.
In het instrumentale Peliqueiroak Terranovan
zijn het de gastmuzikanten van Hevia die met hun elektronische
doedelzak mee het mooie weer helpen maken: opnieuw een leuke
melodie, een gevarieerd arrangement, sobere maar aparte percussie
en een knap vraag- en antwoordspel tussen doedelzak en trikitixa.
Een typisch Baskisch percussie-instrument dat in quasi alle
nummers van Kepa Junkera voorkomt is de txalaparta, een soort
houten reuzexylofoon. Vooral in Izaro en
Kaixarranka zorgt dit slaginstrument voor
een zeer specifiek geluid. Ook op Urdaibai
is de percussie vooral in handen van de txalaparta-spelers.
Centraal element in dit lied is niettemin de Oost-Europese
zang van het Bulgaarse Bulgarka Junior en de Albanese groep
Tirana.
Mataculebra is een up-tempo en – in
vergelijking met de meeste andere nummers – tamelijk
toegankelijk liedje. Een warme zuiderse vrouwenstem en een
vlotte, vlug herkenbare melodie zijn de ingrediënten.
Balea is dan weer een zeer ingetogen lied
met naast de frequent gebruikte traditionele instrumenten
ook een belangrijke inbreng van strijkers, piano en klarinet.
Deze instrumenten laten het nummer bijgevolg iets minder traditioneel
klinken.
De twee langste nummers – beide rond de acht minuten
– staan achteraan op het album. In Oliene
draait alles om de Oost-Europese stemmen van de Balkankoren.
De instrumentale begeleiding wordt in het wat mysterieuze
eerste deel van het lied dan ook beperkt tot wat strijkers.
De Noord-Afrikaanse muzikale invloed is hierbij prominent
aanwezig. In het tweede deel van het nummer geeft de accordeon
van Junkera het lied een luchtiger, melodischer en speelser
karakter. Het titelnummer - en tevens de afsluiter –
Maren staat dan weer bol van knappe deuntjes
en geluiden die je doen wegdromen naar allerhande mooie plekjes
in de natuur waaruit Kepa Junkera zijn inspiratie haalt.
Slotsom, dit album is er eentje waar liefhebbers van diverse
muzikale culturen en luisteraars met een open muzikale geest
zeker van zullen genieten. Bovendien gaat het hier over meer
dan enkel een audio-CD. Het schijfje bevat namelijk ook een
knap multimediaal extraatje met onder andere de teksten van
de liedjes, een videoclip van het nummer Bok-Espok, foto’s
van de muzikanten die meewerkten aan het album en achtergrondinformatie
over de nummers en de Baskische cultuur (spijtig genoeg wel
enkel in het Spaans en het Basks).
|Wouter|
Discografie:
• Maren (2001)
• Tricky (2000)
• Bilbao Hora 00:00 h. (1999)
• Leonen Orroak (1996)
• Lau Eskutara (1995)
• Kalejira Al-Buk (1994)
• Trans-Europe Diatonique (1993)
• Trikitixa Zoom (1991)
• Triki Up (1990)
• Kepa, Zabaleta Eta Motriku (1988)
Website
Kepa Junkera
Top
|
|
 |
|
 |
 |
|
 |
|
Kalio
Gayo – Fearless
Onlangs
weer een leuk CD-tje in de Folkspot-brievenbus gekregen. De
afzender is het sympathieke Nederlands onderonsje Kalio Gayo.
Met hun CD Fearless is deze Utrechtse folkgroep
alvast toe aan hun derde album. De CD werd in eigen beheer
uitgebracht en is een mengeling van Oost-Europees en Scandinavisch
klinkende folksongs in het Blabberatsch en het Engels.
Het Blabberatsch is, zoals ze zelf zeggen, ontstaan om in
alle talen te kunnen zingen. Iedereen kan het begrijpen, niemand
kan het verstaan. Wat dat laatste betreft kunnen we ze echter
wel niet helemáál gelijk geven, wat dan weer
niet belet dat het een leuk taaltje is. Maar geef ons qua
verstaanbaarheid toch maar de Engelstalige liedjes. En die
leren ons dat de songs gaan over de liefde, de vriendschap,
de onbezorgdheid van het leven en de idyllische landschappen
waarin dit zich afspeelt.
Hoewel er op Kalio Gayo geen echt muzikaal etiket te plakken
valt, is de muziek van de groep zoals gezegd vrij Noord- en
Oost-Europees getint. Dit is vooral te wijten aan het Blabberatsch–taaltje
en het instrumentarium van de groep: gitaar, bas, banjo, fluit,
accordeon, percussie en meerstemmige zang. Het mooi in tempo
opbouwende Kaljetsiki kan zelfs de vergelijking
met traditionele Russische volksmuziek aan. Vina Brocham
zou dan weer perfect een Jiddische traditional kunnen zijn.
Maar de meeste nummers hebben toch wel een Scandinavische
muzikale invloed genoten. Denk maar aan het geslaagde openingsnummer
Elde Salar, het sfeervolle Kero Naam,
het vrolijk klinkende Yli Örrren of
het ingetogen Ombré Do.
Op de meeste tracks zorgen de banjo en accordeon voor een
tof accent die de muziek van Kalio Gayo toch wel iets extra
geeft. Alleen jammer dat de banjo in sommige gevallen iets
té hard doorklinkt… En hoewel de CD, met nota
bene uitsluitend eigen geschreven nummers, geen echte uitschieters
bevat en de mixing ook niet altijd even geslaagd is, staan
er toch verschillende leuke liedjes op: naast het openingsnummer
Elde Salar is ook het intieme en mooie titel- en slotnummer
Fearless zeer genietbaar. In dit lied komt
ook de meerstemmige zang van drie van de vijf groepsleden
mooi tot zijn recht. Van de meer uptempo liedjes blijven vooral
Walking On en The Giant
hangen. No Answers Given valt dan weer op
door haar knappe melodie en sterke zangpartij, Keren
Mistoi kent vooral een gevarieerd arrangement.
Conclusie: degelijk CD-tje van een groep die duidelijk kiest
voor een eigen geluid en daarin op hun specifieke, geslaagde
manier hun weg vindt.
|Wouter|
Discografie:
• Fearless (2004).
• Dusra (2002).
• Tserko (1999).
Website
Kalio Gayo
Top
|
|
 |
|
 |
 |
|
 |
|
Laïs
– Douce victime
De
3 meisjes van Laïs hebben zijn, zeker naar folknormen,
nog steeds piepjong maar zijn ondertussen toch al aan hun
vierde cd toe. Eigenlijk hun derde, als je Al la capella eerder
beschouwt als een vocaal tussendoortje. In interviews verklaren
ze dat deze cd heel wat donkere teksten bevat maar er daarom
niet minder vrolijk door klinkt. Gelukkig maar, want de teksten
liegen er vaak niet om. Verstoten minaressen, zelfmoord omwille
van een verloren liefde, een wees treurt om vader en moeder,
... Het speelse, ondeugende, dubbelzinnige van weleer werd
ingeruild voor weemoed, ongeluk en donkerte. Maar de zelfrelativering
is nooit ver weg want de dames van Laïs schreven voor
de vaak traditionele teksten gelukkig meestal zelf de muziek
en die durft nog wel eens op een vrolijke noot beginnen en
eindigen.
'Douce victime' bekt gewoon beter dan pakweg 'zacht slachtoffer'.
Meer moet er blijkbaar niet achter de naam van deze plaat
worden gezocht. Die plaat trapt trouwens meteen overtuigend
af met Marie Madeleine, een traditionele
tekst die door Jorunn van muziek werd voorzien en waarin een
draailier de eerste, eh, viool speelt en de song voortstuwt.
Het roverslied Rinaldo kreeg een oosters
tintje aangemeten. Iets wat trouwens wel vaker op deze cd
doorklinkt, op de ene track al subtieler dan op de andere.
Verantwoordelijk hiervoor is onder meer Robin Thompson, die
exotische instrumenten bespeelt als daar zijn de fagot (ok,
niet zo exotisch, wacht, wacht, ...), koto, shamisen, sho
en hichiriki.
Jasio u pana is een Pools nummer waarbij
je in de traditionele uitvoering schrille Poolse vrouwenstemmen
zou verwachten. Nathalie, Jorunn en Annelies pakken het anders
aan en maken er met hun zoetgevooisde vrouwenstemmen een donker,
dreigend nummer van, waarover de tekst ook moge gaan. Ook
Wanhoop van een wees is geen nummer dat echt
vrolijk stemt. Een trieste tekst wordt hortend en stotend
gezongen op een repetitieve cello-lijn. De inbreng van het
London Chamer Orchestra is op dit nummer heel duidelijk hoorbaar.
Deze cd werd dan ook ten dele in de beroemde Abbey Road studio's
in Londen opgenomen.
De klacht van een verstoten minnares verdient
alleen al voor de titel een pluim maar ook het nummer mag
er meer dan best wezen. Wondermooie samenzang waarbij de 3
Laïsstemmen het beurtelings van elkaar overnemen, ondersteund
door een schrale percussie en de tussenkomst van een mannenstem
die de titel af en toe herhaalt. Een geslaagde productievondst.
Opzij is een wat overbodige cover van Herman
van Veen. Op zich swingt het nummer wel en de orchestratie
is echt wel origineel maar de versie van Herman van Veen is
nogal moeilijk te overtreffen en het nummer valt in mijn ogen
wat buiten het geheel van Douce victime. Gelukkig krijgen
we meteen daarna een andere cover die absoluut wèl
het origineel alle eer aandoet. Marieke van
de grote Jaques Brel begint met een hemelse intro en kan zich
in de versie van Laïs absoluut meten met de uitvoering
van de meester zelf. Alleen gaf het wat gebrekkige Nederlands
van Brel nog dat ietsiepietsie extra, maar slecht Nederlands
zingen kan je natuurlijk niet verlangen van de drie Laïsjes.
Puik werk!
Na Marieke krijgen we meteen nog een hoogtepunt voorgeschoteld.
La plus belle de Céans is een klassieker
in wording. Een repititieve tekst op repititieve percussie
met een beresterke opbouw en een hoge dansbaarheidsfactor.
Het nummer eindigt als een soort climax met haast schreeuwende
maar heel toonvaste stemmen.
Al Béole 17 is de titel van een volledig
eigen nummer, zowel wat tekst als muziek betreft. De wat eigenaardige
titel zou verwijzen naar een adres in de Ardennen waar Laïs
ooit repeteerde. Hier is de invloed van accordeonist Didier
Lanoy (zie ook Tref, Urban Trad, Panta Rhei, ...) duidelijk
merkbaar. Tekst en muziek vormen één mooi geheel.
De titel van De 3 maagdekens is dan weer
heel bewust gekozen en refereert naar het imago dat de meisjes
al jaren achtervolgt. De tekst gaat echter maar over één
maagdeke, dat dan nog in het klooster treed en een lief achterlaat
dat uit liefdesverdriet de hand aan zichzelf slaat. Een mooi
maar intriest a capella lied.
Afsluiten doet Douce victime met 2 mooie Franstalige liedjes.
Dormez, dormez is een wiegeliedje/liefdesliedje
waarin de 3 deernes worden begeleid door een akoestische gitaar
en bescheiden drum. Afsluiter Hymne werd
al in de jaren '70 geschreven door Eric en Ilona Chale. De
ijle gezangen op de achtergrond laten je de dunne grens horen
tussen weemoed en geluk. Mooie afsluiter voor een mooie plaat.
Douce victime is, alvast naar mijn bescheiden mening, de
beste plaat van Laïs tot nu toe. De nummers zijn, op
een enkeling na, uitstekend gekozen en vormen, hoewel divers
van taal en aard, toch een soort geheel. Bovendien is de productie
van een heel hoog niveau, zijn de arrangementen gewaagd en
geslaagd en zijn de dames nog beter bij stem dan voorheen.
Het lijken al ouwe rotten in het vak en dat beloofd voor de
toekomst want qua leeftijd komen ze eigenlijk nog maar pas
kijken. Laïs lijkt dan ook een lang muzikaal leven beschoren.
|Stijn|
Discografie:
• Douce victime (2004). Virgin
• A la capella (2003). Virgin
• Dorothea (2000). Virginmusic Belgium
• Laïs (1998). Alea
Website
Laïs
Top
Lúnasa – The
Kinnitty Sessions
Hoewel
ze misschien iets minder bekend zijn, wordt Lúnasa
vaak in één adem genoemd met andere traditionele
Ierse supergroepen die in de jaren ’90 hun muzikale
opgang kenden (denk aan Dervish, Altan e.a.). Verschil met
de meeste anderen is dat Lúnasa volledig instrumentaal
gaat. En hoewel het weinigen is gegeven om nummer na nummer
te kunnen blijven boeien met instrumentale traditionele Ierse
muziek, slaagt Lúnasa hier met grote onderscheiding
wel in.
In 1997 bracht het vijftal Seán Smyth (viool &
whistles), Kevin Crawford (fluit & whistles), Trevor Hutchinson
(bas), Donogh Hennessy (gitaar) en Cillian Vallely (uilliann
pipes & whistles) hun eerste titelloze debuut uit. Dit
eerste album reikte al meteen tot in de hoogste regionen van
de internationale folk charts. Nu, vier albums later, staat
de groep nog steeds – en meer dan ooit – garant
voor frisse, dynamische en zeer melodische instrumentale Ierse
folk. Lichtend voorbeeld en inspiratiebron voor hun muziek
is zoals ze zelf zeggen The Bothy Band.
Technologische snufjes komen er bij Lúnasa niet aan
te pas. De groep kiest op hun laatste album daarentegen resoluut
voor een no nonsense aanpak en het live-geluid. De CD werd
dan ook opgenomen voor een live – maar op de plaat onhoorbaar
– publiek in het fabelachtige Kinnitty Castle in Co
Offaly. Hierbij is dan ook dadelijk de titel van het album
verklaard… Op het CD-hoesje geven ze trouwens zelf aan
wat ze over hun laatste plaat denken: ‘the most
dynamic and immediate album yet; you simply have not heard
Lúnasa until you have heard The Kinnitty Sessions’.
Wat Lúnasa ook een beetje onderscheidt van andere
Ierse groepen zijn de vloeiende baslijnen van (ex-Sharon Shannon)
bassist Hutchinson. De bas is hoegenaamd niet echt een instrument
dat tot de line-up van een doorsnee traditionele Ierse groep
behoort. Maar Hutchinson geeft de muziek van Lúnasa
absoluut een meer dynamisch en muzikaal karakter.
The Kinnitty Sessions telt 11 instrumentale nummers die telkens
bestaan uit twee of meer tunes, in hoofdzaak snelle, opgewekte
jigs en reels. De CD start alvast veelbelovend. In
Stolen Purse mogen de uilliann pipes samen met de
fluit de spits afbijten in een eerste jig. Bij de tweede melodie
vallen bas en gitaar mee in om daarna samen met de viool het
nummer met een toffe reel te besluiten.
Over het hele album heen bekeken is de muzikale hoofdrol weggelegd
voor de fluit en de whistles. Belangrijkste voorbeelden hiervan
zijn The Walrus en Bulgarian Rock,
twee nummers waar drie van de vijf muzikanten zowaar de whistle
hanteren. In het ene nummer bespelen ze de – in een
hogere toon klinkende – ‘F’ whistles, in
het andere doen ze een beroep op ‘low whistles’,
in een lage toon klinkende whistles dus… En dit alles
perfect op elkaar afgestemd, in drie verschillende muzikale
partijen en met vaak zeer vindingrijke accentjes. In Bulgarian
Rock halen ze, zoals de titel het al aangeeft, hun inspiratie
uit het Oostblok. Dit is vooral te merken aan het tegendraadse
ritme van het nummer. Voor het overige bevat de CD echter
grotendeels traditionele Ierse tunes.
Ook in het zeer energierijke Island Paddy
staat de whistle centraal. Maar ze wordt hierbij – naast
de gitaar en bas – op sublieme wijze begeleid door de
viool die als het ware mee de baslijn ondersteunt. In het
rustigere eerste deel van Ballyogan doet
de fluit het samen met de uilliann pipes. In de reel die hierop
volgt krijgen ze daarbij ook het gezelschap van de viool.
Sean In The Fog start ook met een rustig
eerste deel om vervolgens alle remmen los te gooien in een
melodieuze jig en dito reel. De gevarieerde tunes in Maids
In The Kitchen zijn eveneens zeer te smaken. Dit
nummer is bovendien de perfecte illustratie van hoe de bas
een meerwaarde geeft aan de muziek van Lúnasa.
In Punch treedt de vingervlugge viool op
het voorplan, enkel begeleid door gitaar en bas. Meer ingetogen
gaat het er daarentegen aan toe in het wondermooie The
Dimmers. Dit nummer start met een tokkelende gitaar,
bas en fluit, maar bereikt een ware climax wanneer de uilliann
pipes en viool invallen: echt genieten geblazen! De uilliann
pipes mogen het in The Wounded Hussar trouwens
helemaal solo doen. Maar door het weemoedige karakter is dit
nummer toch een beetje een buitenbeentje op wat voor de rest
een zeer energierijk album is…
Het slotnummer Tie The Bonnet is zowat de
ideale samenvatting van het hele album: zeer leuke en gevarieerde
melodieën, perfect en vingervlug samenspel versus de
ideale afwisseling tussen fluit, viool en uilliann pipes.
En dit alles ondersteund door een ritmische gitaar en vloeiende
bas die met de nodige power en dynamiek voor een perfect geheel
zorgen. Kortweg, grote klasse!
|Wouter|
Discografie:
• The Kinnitty Sessions (2004). Compass Records
• Redwood (2003). Green Linnet Records
• Merry Sisters of Fate (2001). Green Linnet Records
• Otherworld (1999). Green Linnet Records
• Lúnasa (1997). Compass Records
Website
Lúnasa
Top
|
|
 |
|
 |
 |
|
 |
|
The
Rain Poets
Een
demo in je bus krijgen is altijd plezierig. Zo krijg je een
idee wat er zoal reilt en zeilt in het muziekwereldje, welke
nieuwe artiesten zich aandienen en hoe het kaf van het koren
wordt gescheiden. Zo viel onlangs het studiodebuut van de
Nederlandse groep The Rain Poets bij Folkspot.be in de bus.
Dit is dus zeker niet zomaar een demo maar een professioneel
opgenomen mini-cd. In 5 nummers, 4 eigen nummers en een cover,
doet dit duo uit het Nederlandse Arnhem en Velp hun kunnen
uit de doeken.
Ries de Wit (zang, percussie) en Armand Wijskamp (gitaar,
zang) speelden in diverse groepjes met volledige bezetting
alvorens het wat minimaler als duo te proberen. Een goede
keuze want het tweetal blijkt op deze cd heel goed op elkaar
ingespeeld. Het gebrek aan muzikale ondersteuning van bas,
synthesizer en andere instrumenten wordt ruimschoots goedgemaakt
door de muzikale en vokale kwaliteiten en de degelijk uitgekiende
arrangementen. Vooral de zang maakte nogal wat indruk. Een
stem met een zuiverheid, bereik en klankkleur die de vergelijking
met de grotere popstemmen dezer aarde aankan.
Naar de muziek nu. Het cd-tje opent met Touch me,
een nummer dat traag begint met stem en akoestische gitaar,
om dan percussiegewijs open te barsten met een voortstuwend
ritme. Tot het nummer in de helft weer tot stilstand komt,
de gitaar en stem het weer overnemen en het lied langzaam
maar zeker wegdeemstert. We krijgen nog even een aanzet tot
openbarsting maar voor je het weet is het lied gedaan. Een
eerste voorproefje dat smaakt naar meer.
Met Settle down krijg je ook meer. Deed
mij een beetje denken aan de Scabs met een andere zanger,
of Derek & the Dirt. Twee Belgische bands die niet meer
bestaan maar misschien wordt het hoog tijd dat iemand de fakkel
overneemt? Settle down liet zich ook opmerken door een goede
2de stem. Hier is niet over één nacht ijs gegaan.
Tijdens hun live-optredens durven de Rain Poets wel eens
nummers coveren van grootheden als David Bowie, Jeff Buckley,
Radiohead en Led Zeppelin. Op deze cd kwam een cover terecht
van Robbie Williams. Feel krijgt hier een
heel intieme interpretatie, niet het bombastische dat Robbie
Williams in het origineel tentoonspreidt. Een heel goede cover,
maar omdat deze cd slechts 5 nummers telt hadden we toch liever
nog een eigen nummer gehoord, kwestie van de Rain Poets zo
goed mogelijk te kunnen inschatten.
Long before start met het geluid van regen,
refererend aan de groepsnaam en de wat melancholische tekst
en sfeer van het nummer. Ook hier weer een goed gedoseerde
2de stem, een beheerste gitaar en een degelijke sfeerschepping.
Het laatste nummer, Long, deed mij van ver
zelfs even denken aan Pearl Jam of hun Seattle evenkniën
Mother Love Bone. Een ietwat episch nummer op elektrische
gitaar en percussie en een zanger die zijn stem rond iedere
noot wringt alsof het zijn laatste was.
Conclusie: de titel van het laatste nummer refereert voor
mijn part helemaal niet aan het feit dat deze cd te lang zou
zijn. Integendeel. Van deze mannen wil ik gerust wat meer
horen. Niet meteen in een bomvol café of luidruchtige
concertzaal maar in een intieme sfeer. Ergens in een klein,
gezellig achterzaaltje of in de auto, lekker cruisend naar
de einder.
|Stijn|
Discografie:
• The Rain Poets (2004). The Rain Poets
Website
The Rain Poets
Top
|
|
 |
|
 |
 |
|
 |
|
Salsa
Celtica - El Agua De La Vida
Met
‘El Agua De La Vida’ (‘The Water of Life’)
brengt deze 11-koppige Schotse formatie, aangevuld met maar
liefst even zoveel gastmuzikanten, hun tweede album op de
markt. De plaat staat garant voor een feestende mix van
salsa en – een beetje – Keltische folk. Want
laat ons eerlijk wezen… de balans slaat duidelijk
over naar de salsa. Wie vooral jigs of reels verwacht komt
dan ook enigszins bedrogen uit. Maar, laat ons opnieuw eerlijk
wezen, dat maakt dit album er zeker niet minder boeiend
om.
De sfeer van de plaat is deze van op een Latijns-Amerikaans
dansfeest met een zuiderse schone in de ene, en een glas
rum in de andere hand, eerder dan deze van een Ierse of
Schotse pub waar de whisky rijkelijk vloeit. Beide godendranken
blijken in elk geval wel een succesvolle inspiratiebron
te zijn om een zeer geslaagd album af te leveren. Maar welk
van de twee nu het echte ‘water of life’ is?
God knows?!
De muzikale formule van Salsa Celtica is niet bepaald alledaags,
maar valt wel te smaken. De ‘Salsa’ wordt verzekerd
door een handvol blazers, ondersteund door een piano à
la Rubén González en een opzwepende ritmesessie
van conga’s en andere zuiderse percussie-instrumenten.
De ‘Celtica’ moet het hebben van de violen (zoals
in het swingende titel-nummer El Agua De La Vida),
de banjo en accordion (Cumbia Celtica),
de pipes (in het weemoedige Guajira Sin Sol)
en whistles (Maestro).
Muzikaal hoogtepunt en tevens meest latino klinkende nummer
op de plaat is ongetwijfeld Whisky Con Ron
(‘Whisky and Rum’): knappe piano, ijzersterke
blazers en vooral een hoog sfeergehalte zijn de ingrediënten.
En afgaande op de meer dan drie zinnen tellende zangpartij
is het meteen ook het literair hoogtepunt van het album…
Over de thema’s die worden bezongen kunnen we sowieso
trouwens kort zijn: de liefde, feesten, drank en Schotland.
En dit alles nota bene in het Spaans...!
Op El Sol De La Noche en Ave Maria
De Escocia is het in elk geval volle bak feesten
en (salsa)dansen geblazen. Maar ook hier weer… weinig
‘Celtica’ te bespeuren. Voor het échte
schotse accent is het wachten tot de afsluiter, de traditional
Auld Lang Syne, die in een zuiders kleedje
wordt gestoken. Alleen - als er dan toch een traditional
moet opstaan? - spijtig van de ietwat weinig originele keuze...
Maar voor de rest… dik in orde!
|Wouter|
Discografie:
• El Agua De La Vida (2003). Greentrax Recordings
Ltd
• The Great Scottish Latin Adventure (2000). Greentrax
Recordings Ltd
Website
Salsa Celtica
Top
Sharon Shannon
- Libertango
De
Ierse accordeoniste Sharon Shannon heeft eindelijk, na
lange tijd stilzwijgen, een nieuw cd-tje uit: ‘Libertango’.
Zoals we van haar gewend zijn werkte ze ook nu weer samen
met grote en minder grote namen uit het folkwereldje.
Haar voormalige Waterboys-maatjes Steve Wickham en Trevor
Hutchinson zijn natuurlijk ook van de partij.
In opener The Whitestrand
sling mag Sharon al meteen een beroep
doen op de Wild Bullocks, die dit typische Sharon Shannon-melodietje
van een swingende blazerssectie voorzien. Shannon zelf
speelt naast accordeon ook nog eens viool op deze track
en geeft haar partij een bezwerend arrangement mee. Krachtige
opener.
Het titelnummer Libertango
is een ‘smooth’ tangonummer dat al eerder
op haar cd ‘Each little thing’ verscheen maar
voor de gelegenheid een nieuw jasje kreeg. Het nummer
werd ingezongen door de betreurde Kirsty MacColl, die
de fakkel overnam van Grace Jones, die Libertango beroemd
maakte. De melodie is afkomstig van de Argentijnse accordeonist
Astor Piazzolla. Sharon eert haar voorbeelden.
De instrumental Duncan’s
mist wat vurigheid en blijft teveel in melancholie steken
maar het zowel in Gaelic en Egyptisch gezongen An
Phailistín heeft het dan weer wel. Dónal
Lunny begeleid de familie Elsafty in dit liedje over het
lijden van het Palestijnse volk. Doet heel hard aan de
Rankin Family denken. Albatross is een
gewaagde instrumentale cover van het gelijknamige Fleetwood
Mac-nummer. De eenvoudige melodie krijgt in deze versie
een erg bezwerend karakter, haast tantra.
Hogs en Heifers zijn
2 jigs die wel in naam bij elkaar passen maar niet echt
als melodie. Alleenstaand zijn het wel 2 plakken degelijke
muziek, vooral de Heifers.
In The Seven Rejoices of Mary mag Sinéad
O’Connor voor de eerste keer haar keel openzetten.
Ze zet deze aloude ‘chant’ zonder moeite naar
haar hand, wat je gezien de geringe inbreng van Sharon
Shannon toch doet afvragen wiens cd het nu eigenlijk is.
Een kwaal waar de hele cd een beetje aan leidt. Een nog
mooiere bijdrage van O’Connor is de Schotse riedel
Anarchie Gordon, een nummer dat ook de
oer-Ierse Mary Black in haar repertoire heeft.
All the ways you wander
wordt gezongen door nieuw talent Pauline Scanlon en is
een mooi lied, niet meer maar ook niet minder. Met The
burst mattress wordt een wals ingezet die een
swingend vervolg doet vermoeden maar de jigs die volgen
maken dit maar ten dele waar. Nog een nummer dat vuurwerk
in het vooruitzicht stelt is Space party,
maar hier is het tegendeel waar. Het begint bijna als
een slaapliedje dat langzaam overvloeit in een bescheiden
duel tussen banjo en accordeon, om ten slotte de wat teleurstellende
space party in te luiden.
The Wishing Well is
een nummer dat door de legendarische Tommy Peoples werd
neergepend. Eindelijk horen we Sharon nog eens uitgesproken
op de voorgrond treden in een nummer dat in de lijn ligt
van haar grootste hits Cavan Potholes, The Munster Hop
en Blackbird.
Het laatste nummer, What you
make it (da da da da) is eigenlijk de eerste
en enige grote verrassing op deze plaat. Rapper Marvel,
gesteund door de backing vocaliste Lady K, rijmt er op
los dat het een lieve lust is. Sharon overgiet alles met
een folksausje en zelfs de blazers uit het eerste nummer
worden er weer bij gehaald om er samen met een vurige
percussie voor te zorgen dat dit nummer terecht een bescheiden
hit werd in Shannon’s thuisland. Je vraagt je toch
af waarom ze niet meer durft experimenteren.
Libertango is geen slecht cd-tje, maar
je krijgt constant het gevoel dat er meer in zat. Het
is veel te eclectisch en Sharon doet haar verlegen reputatie
alle eer aan door te vaak op de achtergrond te blijven.
Ze cijfert zichzelf te veel weg voor haar geëerde
gasten. Nergens op deze cd heeft ze haar nochtans geroemde
virtuositeit tentoon kunnen (of willen?) spreiden. Geen
gemiste kans want Libertango blijft zonder meer uiterst
beluisterbaar, maar de volgende keer toch graag wat meer
Miss Shannon? Please?!
|Stijn|
Discografie:
• Libertango (2003). IRL
• Live in Galway (2001). Daisy discs
• The Diamond Moutnain sessions (2000). Compass
• Spellbound: The best of Sharon Shannon (1998).
Grapevine
• Each Little Thing (1997). Grapevine
• Out the Gap (1994). Solid
• Sharon Shannon (1991). Solid
Website
Sharon Shannon
Top
Shooglenifty
- The Arms Dealer’s Daughter
“Niet
slecht, maar ook niet meer dan dat…” was zo’n
beetje mijn oordeel nadat ik de nieuwe plaat van dit Schotse
6-tal voor de eerste maal beluisterd had. Een fout en
te snel geveld oordeel. Dat bleek toen ik het album meermaals
had beluisterd. “Niet slecht..? Steengoed!”,
dat is het uiteindelijke – en juiste – oordeel.
Maar inderdaad, het is er eentje die wat herkenbaar in
de oren moet klinken, en dan alleen maar beter kan worden…
Misschien dat dít dan de reden was waarom hun concert
op het laatste Dranouter Folkfestival een beetje in de
anonimiteit van het nogal makke publiek verdween?
Feit is blijkbaar dat hun ietwat aparte
sound enige herkenbaarheid vereist om er optimaal van
te kunnen genieten. Die ‘aparte sound’ is
een mix van traditioneel Keltische muziek vermengd met
hedendaagse elektronische beats en samples.
In de instrumentale folk van Shooglenifty
staat de viool van frontman Agnus Grant nog steeds centraal.
(Hoewel, instrumentaal? Er worden op de plaat zowaar enkele
woorden Nederlands gesproken… zoek de sample!)
De inbreng van nieuwbakken groepslid Luke Plumb (op mandoline)
is echter een absolute aanwinst. Hij staat ontegensprekelijk
garant voor enkele prachtige melodieën en een vaak
subliem muzikaal gevecht tussen viool, banjo en mandoline.
Getuigen daarvan zijn het openingsnummer Glenuig
Hall, The Reid Street Sofa,
Scraping The Barrel of het titelnummer
The Arms Dealer’s Daughter: pure
no-nonsense folkrock met stevige drums en een opeenvolging
van knappe ‘instrumentaaltjes’ (met een knipoog
naar Fairport Convention). In Carboni’s
Farewell vinden viool, banjo en mandoline elkaar
op even magistrale, maar dan iets traditionelere wijze.
Ander pareltje op het album is het in
een exotisch kleedje gestoken The Nordal Rumba:
happy melodie in het gezelschap van een ware brass sectie
(van Salsa Celtica nota bene).
Maxine’s Polka
(drum ’n’ base op zijn Schots) en A
Fistful Of Euro (met Oosters accent) hebben een
hedendaags elektronisch tintje meegekregen. Maar het moet
gezegd, de programming is niet altijd even geslaagd.
Het allerbeste wordt in elk geval gespaard
tot op het einde. Op het swingende Scraping The
Barrel kan je gewoon niet blijven stilzitten.
Bij het ingetogen Tune For Bartley val
je daarentegen spontaan tegen de grond om ten volle te
kunnen genieten van de magistrale melodie, de perfecte
muzikale opbouw, de volmaakte dialoog tussen mandoline
en viool, en met de uillean pipes als toemaatje. Puur
muzikaal genot!
|Wouter|
Discografie:
• The Arms Dealer’s Daughter (2003). Shoogle
Records
• Solar Shears (2000). Vertical Records
• A Wisky Kiss (1996). Greentrax
• Venus In Tweeds (1994). Greentrax
Website
Shooglenifty
Top
Sois
Belle
Met
hun titelloze debuut-CD heeft Sois Belle zich een terechte
plaats in de Vlaamse folkscene weten te verwerven. Deze
jonge West-Vlaamse groep werd geboren in 2001, aanvankelijk
in een viermansbezetting waarmee ze hun sporen reeds verdienden
op het Dranouter Folkfestival en op enkele muziekconcours
zoals Debuutrock en de Nekkanacht-wedstrijd. Tegenwoordig
doen ze het met z’n vijven: Pieter Boussemaere (gitaar/zang),
Karl Debaillie (accordeon/zang), Guido Dieusaert (drum),
Pieter Roets (sax/fluit/zang) en Michael Vande Velde (bas).
In het najaar van 2003 bracht de groep zijn eerste full-CD
op de markt. En deze mag er best wezen…
Het album bevat één Franstalig
en elf Nederlandstalige folkpopsongs. De liedjes van Sois
Belle zijn opgebouwd rond de meerstemmige zang van drie
van de groepsleden. Op sommige nummers van het album komen
trouwens ook enkele vrouwenstemmen de mannelijke zangpartijen
ondersteunen. Echter, de groep gaat misschien iets te
fel prat op hun meerstemmigheid. Niet dat het niet goed
klinkt, maar sommige liedjes zijn op vocaal vlak soms
ietsje té af, te zeer gefocust op het laten in
elkaar passen van de verschillende stemmen waardoor de
zang af en toe wat ‘gewoontjes’ dreigt te
worden. Op instrumentaal vlak blijkt de groep trouwens
eveneens heel wat in zijn mars te hebben: een goede afwisseling
in de arrangementen, stevige drumpartijen, aantrekkelijke
baspartijen, leuke deuntjes op accordeon, een toffe inbreng
van de sax, enz. Waarom deze instrumentale weg niet een
beetje meer bewandelen?
De liedjes zelf dan. Opener op de CD,
de traditional Schoon Lief, is in een
modern en leuk kleedje gestoken: oude Vlaamse tekst op
een ietwat eentonige melodie maar knap instrumentaal bewerkt
en goed gezongen. Heel wat melodieuzer klinkt Onstandvastig:
een traditioneel, dansbaar en vrolijk klinkend lied over
een verloren liefde. De accordeon, fluit, maar ook knappe
begeleiding (en solo) van de elektrische gitaar zijn verantwoordelijk
voor het opgewekte karakter van het nummer. Bij de eigen
songs Het Laatste Lied en Happy
Face staan zoals bij de meeste nummers de stemmen
centraal. Ze zijn quasi volledig meerstemmig gezongen
en bouwen beiden mooi naar een climax toe: eerst rustig
gezongen en sober begeleid, om vervolgens lekker los te
barsten.
Zeer tof klinkt het enige Franstalige
nummer op het album: Fille En Jeans.
De ingrediënten die in dit lied voor een zomerse
sfeer zorgen zijn het reggea-klinkende gitaarspel, leuke
intermezzo’s met een mooi samenspel tussen fluit
en accordeon en aantrekkelijke zangpartijen. Ook De
Matroos – opnieuw een liefdesliedje op
oud Nederlandse tekst – ligt op vocaal vlak goed
in het oor. In dit nummer zorgen de klavecimbel-achtige
tussenstukjes voor een apart accent. Daarna is het dansen
geblazen op de Jeneverdans: ondanks het
wat saaie refrein, een swingende popsong met stevige drums,
krachtige zang en knappe solo’s op sax.
Meer ingetogen gaat het er aan toe in
het mooie Bakelandt. Dit lied, opnieuw
van eigen makelij en met ook hier weer een sterke tekst,
is op melodieus vlak zeker een van de betere van het album.
Het refrein is dadelijk meezingbaar, en dat het qua tekst
uit niet meer dan een ‘na na na’ bestaat,
doet helemaal niet af aan de kwaliteit van het lied. Laat
Ons Dansen en Het Is Niet zijn
ook twee van de betere songs. Deze nummers rocken lekker,
klinken vrolijk in de oren, hebben een knappe melodie,
kennen heel wat muzikale afwisseling en worden op een
bescheiden maar degelijke wijze gedragen door de accordeon.
2010 is dan weer een pure, maar goede
popsong, met de saxofoon die een terechte hoofdrol opeist.
Afsluiten doet de groep op een meer dan
waardige manier met het grotendeels instrumentale Soirée
Ecosse. Een knap eigen nummer met een mooi deuntje
en opnieuw een goed arrangement: alle instrumenten en
stemmen mogen bij wijze van apotheose nog eens om de beurt
op de voorgrond treden.
|Wouter|
Discografie:
• Sois Belle (2003). Parsifal
Website
Sois Belle
Top
|
|
 |
|
 |
 |
|
 |
|
Urban
Trad - Elem
De
Belgische folkgroep Urban Trad is al aan haar derde cd
toe op ongeveer evenveel jaren tijd. Niet verwonderlijk
als je bedenkt wat voor vlucht hun carrière heeft
genomen na de meer dan verdiende 2de plaats op het Eurovisiesongfestival
in 2003. Hun muziek omschrijven ze zelf als ‘21st
century European folk music’ en dat zou wel eens
de vlag kunnen zijn die de lading dekt.
Dit nieuwe schijfje kreeg de naam Elem
mee, wat verwijst naar de taalkundige stam van de vier
elementen (aarde, lucht, water en vuur), die in het Nederlands,
Frans, Spaans (Gallicisch) en Zweeds - de talen waarin
op deze plaat gezongen wordt - hetzelfde is. Voor de productie
tekende niemand minder dan Simon Emmerson, bezieler van
de Afro Celts (voorheen Afro Celt Sound System). Emmerson
speelde zelf ook op enkele nummers mee en ook zijn Afro
Celts maatje James McNally speelde bódhran op maar
liefst 4 nummers.
Opener Rod Grod Med Flode (genoemd naar
een Scandinavisch dessert) klonk al meteen bekend in de
oren. Kan ook niet anders want Urban Trad-voorman Yves
Barbieux nam dit nummer al eens eerder op met zijn eerste
groep, Coïncidence. In onze contreien staat het nummer
ook bekend als het ‘Klaplied’, omdat in de
oorspronkelijke versie op bepaalde plaatsen strategisch
handgeklap te horen is. In deze nieuwe versie is dat aspect
jammer genoeg verdwenen maar de Urban Trad-versie mag
er zeker en vast ook zijn.
De luz, amor y nada, een dansbaar liefdesliedje,
kreeg een overduidelijke Spaanse stempel. Niet moeilijk
als je weet dat Urban Trad met zangeres Véronica
Codesal een rasechte Gallicische in de rangen heeft. De
leden van haar andere groep, Ialma, kwamen trouwens ook
enkele achtergrondstemmen inzingen. Bijvoorbeeld op Vigo,
een swingend nummer dat begint met pipes en gitaar en
dan openbarst en naar het einde toe, dankzij de inbreng
van de meisjes van Ialma, zelfs een Afrikaans tintje krijgt.
Ook op Jorden/Terra is Ialma prominent
aanwezig maar het nummer start op zijn Scandinavisch,
met Soetkin Collier die de Zweedse tekst moeiteloos naar
haar hand zet. De tekst kwam trouwens uit de pen van Emma
Härdelin, frontvrouw van het Zweedse Garmarna. Halverwege
het nummer valt Ialma in met Gallicische gezangen en ritmes
en bouwt het nummer moeiteloos een brug tussen Noord-
en Zuid-Europa.
Bourrée d’Erasme is een
op-en-top Urban Trad-nummer, met alle ingrediënten
die het zo’n nummer maken: sterke opbouw, stevig
ritme, herkenbare melodie en uiterst dansbaar. Gloednieuwe
accordeoniste Sophie Cavez, ook bekend van Dazibao, toont
zich hier een waardig vervangster van Didier Laloy, de
voormalige accordeonist die voor andere projecten koos.
Ook geslaagd is het jazzy/funky bruggetje halverwege met
synthesizer-effecten en de keuze voor de draailier als
ondersteuning.
Dit album werd vooraf gegaan door de puike singel De
l’air, een folknummer met sterke popinvloeden.
Een beetje zoals Ambrozijn deed met hun A Song. Zang en
tekst primeren maar waar bij Ambrozijn Wim Claeys voor
de mooie accordeon-touch zorgde, treed bij Urban Trad
een volle sound op de voorgrond. De tekst werd door Yves
Barbieux geschreven en gaat over politieke gevangenen
en het besef een vrij mens in een vrij land te zijn. Muzikaal
deed het nummer mij wat denken aan Rap a doo, uit hun
eerste album.
Valse 98 is een, u raadt het al, rasechte
wals. Het tempo wordt wat omlaag geschroefd, er wordt
tijd genomen om te genieten. Dat merk je alleen al aan
de new age-achtige intro, met waaiende winden en een op
tempo komende doedelzak. Two hornpipes
geeft de luisteraar wat het belooft: 2 hornpipes, Ierse
dansen, overgoten met een swingend Urban Trad-sausje.
Urban Trad zingt in vele talen, waaronder het Frans,
Engels en natuurlijk een zelf uitgevonden taaltje, waarmee
ze de harten van de Eurosong-jury’s veroverden in
het nummer Sanomi. Het enige Nederlandstalige nummer op
Elem is Zout, een zeemzoet liedje, deinend
op een mooie melodie, gezongen door Soetkin Collier en
geschreven door Gerry Demol, die ook de liedjes leverde
voor Kleine Blote Liedjes, het project dat hij samen met
Eva Deroovere uitwerkte. Op Mind the gap
horen we dan weer dat zelf verzonnen taaltje, op een bedje
van muziek die wat Oosters klinkt en waarin we zelfs de
typisch Tuvaanse keelzangers menen te herkennen.
Eigenlijk telt Elem slechts 10 nieuwe, volwaardige nummers.
Het elfde is een intro voor het twaalfde, wat op zich
dan weer een remix is van Vodka Time,
dat al op de eerste Urban Trad cd, One O Four, te horen
was. Een degelijke remix, daar niet van, maar in mijn
ogen wat overbodig. Misschien hadden ze beter wat meer
tijd genomen om nog wat nieuwe nummers af te werken. Want
ook het dertiende en laatste nummer is niet nieuw. Als
bonus werd een live-versie van Lampang/Mideau
Rhémila op Elem gezwierd, een nummer dat
we al kenden van de tweede cd, Kerua. In de live-versie
horen we wel wat kreetjes en gejuich maar echt veel vernieuwend
gebeurt er niet. Jammer, want de nieuwe nummers op Elem
staan als een huis en bewijzen eens te meer dat Urban
Trad in België en zelfs in het buitenland aan de
top staat als het gaat om opzwepende folkrock, folkdance
en folkcrossover. ‘Bruggen bouwen’ is hun
boodschap en dat doen ze wonderwel, zowel met de groepsleden
van verschillende komaf, de taal als de muziek. Als ze
zo blijven verder bouwen ligt misschien nog een grote
internationale toekomst in het verschiet.
|Stijn|
Discografie:
• Elem (2004). Universal Music
• Kerua (2003). Universal Music
• One O Four (2000). Universal Music
Website
Urban Trad
Top
|
|
 |
|
 |
 |
|
 |
|
Värttinä
– Iki
In
1983, op amper 12-jarige leeftijd, richtte Mari Kaasinen samen
met zus Sari en een aantal vriendinnen uit het afgelegen Finse
dorpje Rääkkylä Värttinä op, een
zanggroepje van meisjes die graag traditionele Karelisch-Finse
liedjes zongen. Vandaag is Värttinä een begrip in
de Scandinavische folkmuziek, tot ver buiten de Finse en Europese
grenzen. De inmiddels meer dan 20-jarige geschiedenis van
Värttinä is er één met vele gedaantewisselingen.
Mari zag heel wat muzikanten en zangeressen komen en gaan,
waaronder ook haar zus Sari. Tegenwoordig bestaat de groep
uit het vrouwelijke zangtrio Mari Kaasinen, Susan Aho, Johanna
Virtanen en zes (mannelijke) muzikanten, waarvan bouzouki-speler
Janne Lappalainen de langste staat van dienst heeft.
Het handelsmerk van Värttinä is de meerstemmige
zang van de frontvrouwen, de ene keer perfect harmonisch en
warm, de andere keer ijzingwekkend schril en dissonant. Ook
het onverstaanbare Finse taaltje, de vaak tegendraadse ritmes
en de muzikale Balkaninvloeden bepalen mee het typische geluid
van de groep. Meestal worden de liederen begeleid door gitaar,
bouzouki, accordeon, viool, bas en drums/percussie. Soms doen
de dames het volledig a capella en nog een andere keer laten
ze de muzikanten alleen aan het werk in de meestal opgewekte
instrumentale deuntjes.
Hoewel Värttinä op hun eerste albums zeer traditioneel
klonk (remember Selinko, zonder twijfel het
beste Värttinä-album totnogtoe), slaagde de groep
er met de jaren in om hun muziek een hedendaags accent mee
te geven. Dit verklaart waarschijnlijk ook voor een deel hun
huidige succes en hun sterke live-reputatie waar we ook in
ons land reeds meerdere malen getuige van konden zijn.
Met ‘iki’ keert Värttinä
als het ware een beetje terug naar hun akoestische roots.
En ze slagen hier perfect in… Het album begint tamelijk
ingetogen met het korte a capella nummer Syyllinen
Syli (Faithless Arms), solo ingezet en na een tijdje
vergezeld door de andere stemmen. Deze track wordt op het
einde van het album nog eens overgedaan maar dan in een langere
en krachtigere versie; eerst prachtig meerstemmig om solo
te eindigen zoals de plaat begon. Ook bij Tuulen Tunto
(To Feel the Wind) is het rustig genieten geblazen. In Sepän
Poika (The Blacksmith’s Son) komt voor de eerste
keer de power van de groep naar boven. Dit nummer is bovendien
het toonbeeld van hoe de subtiele percussie de muziek van
Värttinä een eigen typische sound geeft. Het dynamische
Tauti (Disease) wordt dan weer gekenmerkt
door de bijna onbeheersbare ritmes en de instrumentale breaks
die een Turks klinkend accent meekregen.
Beste nummer op het album is ongetwijfeld Morsian
(The Bride): een prachtig, rustig liefdeslied waarbij de zangstemmen
elkaar perfect aanvullen. De begeleidende accordeon, die vooral
tussen de zang door met wondermooie melodieën op de voorgrond
treedt, zal menig luisteraar de bijhorende Finse rillingen
bezorgen. Nahkaruoska (Leather Whip) is dan
weer een uitermate krachtig en opzwepend nummer, en eentje
waarin de onverstaanbare klanken u in een razend tempo om
de oren vliegen. Absoluut ook een van de betere nummers! Dit
laatste kan echter niet gezegd worden van de daaropvolgende
track, het nogal zagerige Maahinen Neito.
Volledig vocaal gaat het er vervolgens aan toe in Potran
Korean (A Sturdy, Handsome Lad), uitzonderlijk zelfs
met een mannelijke zangstem. Vihi is het
noodzakelijke, maar helaas enige instrumentale nummer op de
plaat. Want deze vrolijke track, met accordeon en viool in
de hoofdrol, en de knappe percussie en warme baspartij in
een bijrol, smaakt naar meer…
Het rustige en ietwat melancholische Hopeat
(Silver) moet het vooral hebben van het leuke refrein en het
samenspel tussen whistle, accordeon en viool tijdens de instrumentale
gedeeltes. Het ingetogen Tumma (Dark) start
met bouzouki en één stem, waarna de andere dames
en instrumenten invallen. Dit nummer, met een zeer mooie melodielijn,
is er opnieuw eentje waarin de vocale en instrumentale kwaliteiten
van de groep perfect in elkaar vloeien. Na enkele mindere
albums is dit terug een échte Värttinä-plaat!
|Wouter|
Discografie:
• Iki (2003). Fréa Records
• 6.12. (2001). Fréa Records
• Ilmatar (2000). Fréa Records
• Vihma (1998). BMG
• Kokko (1996). Warner Nonesuch Records
• Aitara (1994). Music & Words Records
• Selinko (1992). Music & Words Records
• Oi Dai (1991). Oy Sonet
• Musta Lindu (1989). Olarin Musiikki
• Värttinä (1987). Mipu Music
Website
Värttinä
Top
|
|
 |
|
 |
 |
|
 |
|
Wolfstone
– Almost an island
Groepsleden
van het eerste uur Duncan Chisholm (viool) en Stuart Eaglesham
(gitaar/zang) leerden elkaar in de late jaren ‘8O
kennen tijdens een jamsessie in een Schotse pub. Dit was
het startschot van een muzikale samenwerking die zich aanvankelijk
richtte op traditionele Schotse dansmuziek. Maar wat begon
als een traditionele muziekgroep evolueerde na het aantrekken
van een drummer, bassist en piper al snel naar een Keltische
folkrockformatie. Wolfstone was geboren en begin jaren ’90
meteen ook hun eerste album. Vandaag zijn ze één
van de betere Schotse groepen in de Keltische folkrockscene.
Eigen aan de muziek van Wolfstone zijn hun instrumentale
nummers, die hoofdzakelijk worden gedragen door de pipes
van Stephen Saint en het elektrische gitaargeweld van de
zanger/gitarist.
Met Almost An Island is Wolfstone toe aan haar achtste
plaat. Het album bevat 4 songs en 6 instrumentale nummers.
De ‘instrumentaaltjes’, die meestal bestaan
uit vlot in de oren klinkende reels, gespeeld op pipes en
– in mindere mate – op viool en whistle, zijn
het best te smaken. Het jammere is echter dat de reels,
net zoals de opbouw van de nummers zelf, nogal sterk op
elkaar lijken waardoor het album wel eens snel zou kunnen
gaan vervelen.
Het openingsnummer The Piper and the Shrew
is alvast één van de betere tracks op de plaat:
een korte, sterke reel met een knap samenspel tussen pipes
en viool. Elav the Terrible is van hetzelfde
kaliber, op uitzondering dan van de irritante “yeah’s”
die doorheen het nummer zijn verweven: helaas een mislukte
poging om wat meer variatie in de muziek te brengen. La
Grand Nuit du Port de Peche en The Panda
zijn met elkaar vergelijkbaar: leuke tunes hoewel
ze niet altijd kunnen blijven boeien. En wat de opbouw betreft
is het zoals bij de meeste instrumentale nummers: een ingetogen
start op viool of synthesizer, de drums die na een poosje
invallen en de muziek tot leven brengen, de pipes die daarna
op de voorgrond treden om vervolgens te exploderen in het
gezelschap van een (soms té stevige) elektrische
gitaar.
Beter geslaagd qua arrangement is 5/4 Madness,
een track van de hand van gastmuzikant en accordeonvirtuoos
Phil Cunningham waarmee op vorige albums ook al werd samengewerkt.
Alleen spijtig van het overbodige, bijna ‘symfonische’
tintje dat het meekreeg. Het beste instrumentale nummer
op het album is wat mij betreft Davie’s Last
Reel: swingende folkrock met de pipes in een sublieme
hoofdrol.
Over de songs dan. Omwille van de toffe melodielijn en
de pipes die op even toffe wijze de zang aflossen, is het
up-tempo liefdesliedje The Queen of Argull eigenlijk
het enige gezongen nummer dat echt kan bekoren. Over Where
the Summers Go, en vooral Jericho
en All Our Dreams, kunnen we best kort
zijn. Het zijn niet meer dan doorsnee rocksongs met een
folky accent waarvan de zangpartijen meestal iets te hoog
zijn gegrepen voor zanger/gitarist Eaglesham. Dan toch liever
de instrumentaaltjes…
|Wouter|
Discografie:
• Almost an Island (2002). Once Bitten
• Not Enough Shouting (2000). Once Bitten
• Seven (1999). Green Linnet
• Pick of the Litter (1997). Green Linnet
• The Half Tail (1996). Green Linnet
• Year of the Dog (1994). Green Linnet
• The Chase (1992). Green Linnet
• Unleashed (1991). Green Linnet
Website
Wolfstone
Top
|
|
 |
|
 |
 |
|
 |
|
Yevgueni
– Kannibaal
Onlangs
viel er bij Folkspot.be een ceedeetje in de brievenbus van
een jong trio dat zichzelf 'Yevgueni' doopte, naar 'Evguenie
Sokolov', een roman van Serge Gainsbourg. Verder dan dat
gaat de vergelijking niet want op hun debuut 'Kannibaal'
put Yevgueni uit een heel ander vaatje. Hun muzikale en
tekstuele inspiratie halen ze vooral uit de Vlaamse en Nederlandse
kleinkunst en Nederlandstalige pop en rock. De jongens van
Yevgueni luisterden bijzonder goed naar lieden als Wim de
Craene, Gorki’s Luc de Vos, Frank Boeijen, Boudewijn
de Groot, Stef Bos, Wigbert van Lierde (die ook op deze
cd meespeelt) en andere koorknapen van het betere Nederlandstalige
lied. Maar daarmee willen we absoluut niet gezegd hebben
dat Yevgueni onvervaard de mosterd elders gaat halen. Neen,
Yevgueni heeft een eigen, melodieus geluid, een slaande,
dan weer zalvende pen en de nodige zin voor ironie.
Denk maar aan het uitermate vrolijke riedeltje Oud
en versleten, waarin op lichtvoetige wijze het
pijnlijke onderwerp 'euthanasie' wordt aangekaart. 'Ik schrijf
vooraf wel een briefje dat het per ongeluk is gegaan', zingt
Klaas Delrue met een vette knipoog.
U misschien wel al bekend van Radio’s 1, 2 en consoorten
is de single Als ze lacht. Een nummer met
zo’n lichtheid van tekst en muziek dat je er stante
pede vrolijk van wordt. Verplichte kost bij ochtendlijke
auto- of treinritjes naar het werk en andere minder aangename
bezigheden.
Van Suzanne Vega leenden ze het wondermooie In Liverpool,
om het in een typisch Yevgueni-jasje te steken. Dat jasje
heet In deze stad en hoeft amper onder
te doen voor het origineel, hoewel je zelfs met een aangename
stem als die van zanger Klaas nooit kan tippen aan de zoetgevooisde
Vega. Puik vertaald overigens.
Wat minder vond ik Mama ik wil papa. De
tekst over een kind dat zijn vader mist, terwijl die vader
zich uit de naad werkt voor datzelfde kind, is wel bijzonder
origineel, maar de carnaval- en hoempapasfeer waarin dit
nummer baadt strookt niet echt met de rest van Kannibaal.
Ook Wat zal het zijn vond ik er wat over.
Grappig, dat wel, maar een beetje bizar, hoewel de melodie
er best mag wezen.
Het titelnummer van Kannibaal is dan wel
weer aardig te pruimen. Een kannibaal blijft als enige over
op deze aardkloot omdat hij te gulzig was. Niet echt handig
voor een kannibaal. Hij siert dan ook de hoes van de cd,
onderwijl aan zijn eigen vingers knabbelend. Mooie melodie
ook, ligt lekker in het oor en heeft een snedig tempo.
Sara deed mij van ver een beetje denken
aan Monica van het Nederlandse Circus Custers. Nummers als
Alsof er niets gebeurde en Eenzaam
zonder jou werden dan weer gekruid met een flinke
dosis weemoed en Gezellig beschrijft op
cynische wijze hoe schrijnend iemand kan terugblikken op
zijn mislukte levensloop. Ook in het teer gezongen Robbie
is de meelij en melancholie niet ver te zoeken.
Slotsom? Yevgueni bracht een veelbelovend debuut uit waarvan
enkele liedjes zich al snel in mijn hoofd nestelden. En
wie een feel good-hit kan schrijven als Als ze lacht, verdient
hopen respect. De vergelijkingstest met hedendaagse Nederlandstalige
groten als Bart Peeters en Pieter Embrechts doorstaan ze
met glans. De heren van Yevgueni hebben alvast een ijzersterke
sollicitatie afgeleverd en zullen zonder twijfel door hun
luisteraars worden uitgenodigd voor een nieuw gesprek. Ijzersterke
melodiën en teksten die neigen naar waar meesterschap
- enkele schoonheidsfoutjes even niet meegeteld - mogen
ze alvast op hun curriculum bijschrijven. Ondertussen kijken
wij al uit om hen ergens live aan het werk te zien want
een podium is en blijft toch nog altijd dé lakmoestest
voor wie iets wil betekenen in de muziek. Veel succes Yef!
|Stijn|
Discografie:
• Kannibaal (2004). Petrol
Website
Yevgueni
Top
|
|
 |
|
 |
|
|
|